Nieuws

28-11-2022

Procedure in de statuten soms door de rechter niet gevolgd

In een recent gewezen uitspraak heeft re rechtbank zich gebogen over een in de statuten van een stichting opgenomen bepaling. In de statuten van de stichting stond dat het bestuur jaarlijks rekening en verantwoording moet afleggen aan de rechtbank over het gevoerde beheer van de goederen van de stichting. De rechtbank heeft het verzoek van de stichting om de jaarrekening goed te keuren afgewezen.

De stichting betoogt dat de bepaling is opgenomen om een bepaalde mate van toezicht op het bestuur te verzekeren. De rechtbank begrijpt dat dit een verzoek is op basis van een welwillendheidsbeslissing.

Een welwillendheidsbeslissing is niet gebaseerd op een wettelijke grond. Daarom kan een welwillendheidsbeslissing alleen maar worden toegewezen als alle gerechtvaardigde belangen die bij het geval betrokken zijn gediend zijn met de toewijzing en zich niet tegen toewijzing verzetten.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt niet aan deze voorwaarden voldaan.

Ook op andere wijze kan in toezicht worden voorzien. In de statuten kan een bepaling worden opgenomen dat er een raad van toezicht is, maar ook kan in de statuten worden opgenomen dat de jaarrekening ter controle aan een accountant wordt voorgelegd. Dat de welwillendheidsbeslissing in eerdere jaren wel is gegeven doet daar niets aan af.

Een heel begrijpelijke uitspraak. Hebben de statuten van uw stichting een vergelijkbare bepaling? Pas dan tijdig aan.

Lees meer
28-11-2022

Uitleg huwelijkse voorwaarden soms afwijkend van tekst in akte

Iedereen die voor 1 januari 2018 trouwde zonder tevoren huwelijkse voorwaarden te hebben gemaakt, trouwde in algehele gemeenschap van goederen. Ook vóór het huwelijk opgebouwd vermogen kwam dan in die algehele gemeenschap terecht. Dat was altijd zo, tenzij dat vermogen was geschonken of uit een erfenis kwam en bij de verkrijging was bepaald dat het geschonken of geërfde vermogen privé vermogen van de betreffende echtgenoot of echtgenote moest blijven

Bij huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018 valt alleen het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen in de gemeenschap.

In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland zijn huwelijkse voorwaarden gewijzigd van een echtpaar dat in 1996 was getrouwd op huwelijkse voorwaarden. In die huwelijkse voorwaarden was geen verrekenbeding opgenomen. In 2021 werden de huwelijkse voorwaarden gewijzigd door het opnemen van een beding waardoor bij echtscheiding zou moeten worden afgerekend alsof partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen “zoals deze bestond vóór 1 januari 2018”.

Niet de bedoeling

De rechtbank Gelderland oordeelde dat, in afwijking van de tekst van de huwelijkse voorwaarden, het voorhuwelijkse vermogen niet in de verrekening moest worden betrokken. De man had namelijk bij de rechter verklaard dat het nooit zijn bedoeling was geweest dat de vrouw ook aanspraak zou kunnen maken op het vermogen dat hij al had bij het sluiten van het huwelijk. Deze stelling werd ook niet door de vrouw tegengesproken. De vrouw had tijdens de zitting juist verklaard dat het haar bedoeling was dat zij alleen zou meedelen in hetgeen tijdens het huwelijk was opgebouwd.

Partijen hebben beide geen verklaring kunnen geven waarom in de aanvullende huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat moest worden afgerekend alsof sprake is van een gemeenschap van goederen zoals die vóór 1 januari 2018 gold. Ook is tijdens de zitting gebleken dat de man en de vrouw niet hebben gerealiseerd wat die laatste toevoeging betekende. Daaruit heeft de Rechtbank de conclusie getrokken dat de notaris daar ook onvoldoende specifieke aandacht aan heeft geschonken.

Een mogelijke verklaring voor de toevoeging “zoals deze bestond vóór 1 januari 2018” is dat de notaris meende dat alsnog gedaan zou moeten worden wat partijen (of in elk geval de vrouw) voor ogen stond bij aanvang van hun huwelijk. Er was echter niet gebleken van feiten die erop wezen dat de man destijds met een dergelijk ruim beding zou hebben ingestemd, en om tegemoet te komen aan de wensen van de vrouw was deze toevoeging evenmin nodig.

Redelijkheid en billijkheid

De Rechtbank achtte het aannemelijk dat de toevoeging “zoals deze bestond vóór 1 januari 2018” in ieder geval niet de bedoeling was van de man, en mogelijk zelfs niet de bedoeling van beide partijen, weergaf. De vrouw had immers niets in de procedure ingebracht op grond waarvan zij mocht verwachten dat de man instemde met verrekening van voorhuwelijks vermogen.

De Rechtbank vond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook onaanvaardbaar was om de aanvullende huwelijkse voorwaarden zo uit te leggen dat ook het voorhuwelijkse vermogen van partijen in de verrekening moest worden betrokken. De Rechtbank zei wel dat daarvan slechts in uitzonderlijke omstandigheden sprake kon zijn. De omstandigheden die de Rechtbank in dit geval meewoog waren: het korte tijdsbestek waarin de aanvulling van de huwelijkse voorwaarden tot stand was gekomen, de discussie die tussen partijen bestond voorafgaand aan de ondertekening ervan, het feit dat de wensen van de vrouw leidend waren geweest bij deze aanvulling, terwijl voor hetgeen zij beoogde de uitbreiding van de verrekenplicht met voorhuwelijks vermogen niet nodig was, het feit dat beide partijen er blijk van hadden gegeven niet te beseffen wat de uitwerking was van de toevoeging van de tekst “zoals deze bestond vóór 1 januari 2018”, de discrepantie tussen de wil van de man en de tekst van de huwelijkse voorwaarden, gelet op de stelling van de man dat hij nooit de bedoeling heeft gehad (noch in 1996, noch in 2021) dat ook voorhuwelijks vermogen verrekend zou worden en het feit dat de man dyslectisch was, waardoor het voor hem nog eens extra lastig was om te lezen waarvoor hij tekende.

Wil u meer weten over huwelijkse voorwaarden of het wijzigen daarvan? Wij helpen u graag.

Lees meer
21-11-2022

Let op de formaliteiten bij eigen woning lening

Recent diende voor de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een zaak waarin de fiscus stelde dat de rente over een binnen de familie gesloten leningen voor verbouwing eigen woning niet fiscaal aftrekbaar was. Een eigenwoningschuld is alleen fiscaal aftrekbaar als wordt voldaan aan de door de wet gestelde eisen daaraan.

Een stel heeft sinds 2007 een lening bij de vader van een van hen afgesloten voor het betalen van een verbouwing. In de aangifte inkomstenbelasting over het 2017 gaven ze de lening aan als eigenwoningschuld en trokken de rente hierover af van hun inkomen. De inspecteur wees de aftrekpost af met als reden dat de lening geen eigenwoningschuld zou zijn waardoor de rente ook niet aftrekbaar is. Het stel accepteerde dit niet en legde de zaak voor aan de rechter.

Niet aannemelijk

De rechtbank onderzocht vervolgens of de lening kwalificeert als eigenwoning schuld in de zin van art. 3.119a Wet IB 2001. De door de vrouw aangeleverde stukken waaronder de leningovereenkomst en een kwitantie van een aannemer konden de rechter niet overtuigen. Er is wel sprake van een lening maar het is niet duidelijk of de geleende bedragen daadwerkelijk zijn gebruikt voor de aankoop, verbetering of onderhoud/verbouwing van de eigen woning. De kwitantie van de aannemer vormde geen bewijs omdat deze per oktober 2006 gedateerd was, dus ruim voor de datum van het aangaan van de lening. Daarnaast kwamen de bedragen uit de kwitantie en de overeenkomst van geldlening niet overeen. Omdat er door het stel niet aannemelijk gemaakt kon worden dat de lening een eigenwoningschuld is, is de rente ook niet aftrekbaar. De belastinginspecteur werd dus in het gelijk gesteld.

De les die we hieruit kunnen trekken is dat de eisen die de wet sinds 2013 stelt aan een eigenwoningschuld duidelijk zijn. Rente is alleen aftrekbaar als het gaat om:

  • schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning,
  • ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen, en - waarbij ook daadwerkelijk aan de aflossingseis wordt voldaan.
  • Is de lening gesloten in de familiesfeer of met een (eigen) bv, dan moet de leningnemer bovendien aan de informatieverplichting voldoen door de kernelementen van de lening in de aangifte inkomstenbelasting te vermelden.

De eisen in verband met de looptijd en aflossing en de informatieverplichting gelden in het hiervoor genoemde geval overigens niet omdat de lening in 2007 afgesloten is en het overgangsrecht mag worden toegepast. Als een lening van een bank van vóór 2013 wordt overgesloten blijft het overgangsrecht van toepassing. Dit geldt ook als de nieuwe geldverstrekker een familielid of een (eigen) B.V. is. De informatieverplichting geldt ook dan niet voor die overgesloten lening.

Oogmerkvereiste

Als een belastingplichtige de aankoop of verbouwing van een eigen woning achteraf financiert, moet aan het oogmerkvereiste zijn voldaan. Dit kan in geval van een lening bij een professionele geldverstrekker eenvoudig worden aangetoond. Bijvoorbeeld door het overleggen van een hypotheekofferte die is aangevraagd rond het tijdstip van de betaling van de kosten.

In andere gevallen is het lastiger om aan te tonen dat aan het oogmerkvereiste is voldaan. Als de lening is aangegaan binnen zes maanden na de start van de verbouwing wordt voor het bedrag van de in die zesmaandsperiode betaalde kosten geacht te zijn voldaan aan het oogmerkvereiste.

Kortom, laat u goed informeren als u een lening bij familie of bij de eigen bv wil sluiten. Als u de lening en bij voorkeur gedekt door een hypotheekrecht laat vastleggen bij de notaris weet u zeker dat er geen fiscale kleerscheuren worden opgelopen.

Lees meer
21-11-2022

Rechthebbende op uitkering van een levensverzekering bij overlijden

Bij de uitkering van levensverzekeringen geldt de leer van het zelfstandig recht op uitkering. Wat houdt dat in? De verzekeringnemer wijst bijvoorbeeld zijn echtgenoot, kinderen of erfgenamen als begunstigde aan. De begunstigde krijgt een eigen recht op de uitkering uit de levensverzekering. De uitkering komt uit het vermogen van de verzekeraar en niet uit het vermogen van de verzekeringnemer. Dat betekent dat de verzekeraar moet uitkeren aan de begunstigde. Dit betekent ook dat als de begunstigde de erfenis van de verzekeringnemer verwerpt, hij (nog steeds) recht heeft op de uitkering uit de levensverzekering.

Dit is van belang als de “erfgenamen van de verzekeringnemer” als begunstigden zijn aangewezen. De begunstigde krijgt dan de uitkering omdat hij erfgenaam is. Het maakt niet uit of hij aanspraak op de nalatenschap maakt of die verwerpt.

Wanneer iemand is overleden en een overlijdensrisicoverzekering had, dan keert de verzekeraar een bedrag uit aan de begunstigde. De begunstigde is degene die op de polis wordt genoemd en is aangewezen door de overledene. Deze persoon krijgt de waarde van de verzekering op zijn of haar rekening gestort als de verzekeringnemer komt te overlijden. Bij een standaard begunstiging wordt het geldbedrag uitgekeerd in een vaste volgorde:

  • ben je bent getrouwd of woont je geregistreerd samen? Dan wordt het geld uitgekeerd aan de partner;
  • als er geen partner aanwezig is, wordt er kapitaal overgemaakt aan de kinderen;
  • zijn er geen kinderen, dan kijkt een verzekeraar of er wettelijke erfgenamen zijn.

Maar de verzekeringnemer kan ook zelf een begunstigde aanwijzen op de polis.

Twee trappen

Onlangs is er een uitspraak gedaan door de Geschillencommissie van het klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) over de vraag wie nu recht had op de verzekeringsuitkering.

Een man had in zijn testament een zogenaamde tweetrapsmaking opgenomen. De tweetrapsmaking hield kort gezegd in de bepaling dat enkel de partner tot erfgenaam werd benoemd (eerste trap) en de twee kinderen pas zouden erven van hun vader op het moment dat zowel de vader als de echtgenote waren overleden (tweede trap), of anders gezegd:

De man had in zijn testament zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd onder de ontbindende voorwaarde dat ingeval van haar overlijden de kinderen onder opschortende voorwaarden zijn erfgenamen werden. In het testament waren overigens meer situaties dan alleen het overlijden van de man genoemd waaronder de ontbindende en opschortende voorwaarden van toepassing konden zijn.

Naar aanleiding hiervan is een geschil ontstaan tussen de echtgenote en de verzekeraar waarbij de man de levensverzekering had gesloten. In de polis waren de erfgenamen van de man als begunstigden aangewezen. De echtgenote had de verzekeraar gevraagd om de verzekeringsuitkering aan haar over te maken. De verzekeraar vroeg haar vervolgens om een verklaring van erfrecht en weigerde toen de uitkering aan haar over te maken omdat de echtgenote volgens de verzekeraar slechts voor een derde deel begunstigde zou zijn.

De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het Kifid heeft echter de echtgenote in het gelijk gesteld. Op het polisblad waren de erfgenamen van de verzekeringnemer de begunstigden van de uitkering uit de levensverzekering. De geschillencommissie volgt de verzekeraar in de stelling dat op de levensverzekering de leer van het zelfstandig recht van toepassing is en de uitkering uit de levensverzekering niet tot de nalatenschap behoort, maar de verzekeraar dient bij de uitkering aan de erfgenamen wel uit te gaan van de in het testament opgenomen verdeling.

Uitsluitend rechthebbende

Op grond van de tweetrapsmaking werd de echtgenote als uitsluitend rechthebbende aangemerkt, voor zover het door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen betrof. De erflater had in zijn testament immers zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd onder de ontbindende voorwaarde dat één van de in het testament genoemde situaties zich voordoet en daarom moest de echtgenote dan ook als rechthebbende onder ontbindende voorwaarde worden beschouwd van de vordering die op de verzekeraar was ontstaan.

De verzekeraar diende daarom het gehele verzekerde kapitaal aan de echtgenote uit te keren omdat niet gebleken is dat één van de in het testament genoemde situaties voor het intreden van de ontbindende voorwaarde zich heeft voorgedaan.

Heeft u vragen over testament en begunstiging op de levensverzekering? Wij helpen u graag.

Lees meer
14-11-2022

NHG-hypotheekgrens volgend jaar naar ruim vier ton

Per 1 januari 2023 gaat de NHG-hypotheekgrens omhppg van € 355.000 naar € 405.000. Door deze verhoging krijgen meer huizenkopers toegang tot een hypotheek met NHG (Nationale Hypotheek Garantie). NHG biedt een vangnet als mensen te maken krijgen met gedwongen verkoop of restschulden.

Zowel de borgtochtprovisie – het eenmalige bedrag dat iemand voor een hypotheek met NHG betaalt - als de NHG-kostengrens wordt jaarlijks opnieuw bepaald via een afgesproken methodiek. Hiermee wordt meer stabiliteit op de woningmarkt gecreëerd en wordt er ook voor gezorgd dat consumenten toegang behouden tot een hypotheek met NHG. Deze methodiek is vastgesteld samen met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Financiën. De NHG-kostengrens gaat in een periode van stijgende woningprijzen minder hard omhoog en in een periode van dalende woningprijzen minder hard omlaag

Stabiliteit

In 2023 heeft NHG gekozen voor dezelfde methode als in 2022 om jaarlijks de NHG-kostengrens vast te stellen. Hierdoor stijgt de kostengrens van € 355.000 naar €405.000 en blijft NHG toegankelijk voor veel kopers. Met Energie Besparende Voorzieningen wordt de kostengrens in 2023 € 429.300. Ook bij de borgtochtprovisie is stabiliteit het uitgangspunt. In 2023 zal deze gelijk blijven aan 2022, namelijk 0,6%.

Loskoppelen NHG en betaalbaarheidsgrens

Het kabinet wil tot en met 2030 900.000 woningen realiseren waarvan twee derde betaalbaar. Op dit moment geldt daarbij de NHG-grens als grens voor wat een betaalbare koopwoning is. Door de sterke stijging van de NHG-grens zijn woningen met die prijs voor minder mensen betaalbaar, omdat de inkomens het afgelopen jaar minder zijn gestegen dan de NHG-grens. Daarom gaat het kabinet de grens voor wat betaalbare koopwoningen zijn loskoppelen van de NHG-grens. Voor de regionale woondeals die eind dit jaar en begin volgend jaar worden vastgesteld wordt, conform het programma Woningbouw, de huidige NHG-grens van € 355.000 gehanteerd als betaalbaarheidsgrens. Deze verandert dus niet door verhoging van de kostengrens naar € 405.000.

Volgens de NHG is de stijging echt nodig. Mensen sluiten door de sterk gestegen huizenprijzen een steeds hogere hypotheek af om een huis te kopen. NHG wil er zijn als die groep te maken krijgt met arbeidsongeschiktheid, te hoge woonlasten, echtscheiding of andere problemen. NHG biedt hulp bij financiële problemen en eventuele restschulden. Dat vangnet wordt door een verhoogde kostengrens voor een grote groep beschikbaar.

Lees meer
14-11-2022

Beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren blijven gelijk voor 2023

De Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren bevat de beloningen voor de werkzaamheden van deze wettelijke vertegenwoordigers. Op grond van deze regeling worden de beloningen in beginsel jaarlijks geïndexeerd, tenzij het indexeringspercentage met betrekking tot één jaar ligt tussen de -1% en 1%. Het percentage voor 2023 bedraagt 0,66%. De beloningen worden daarom voor 2023 niet geïndexeerd.

Indexeringspercentage

Voor de berekening van het indexeringspercentage wordt een bepaalde formule uit het Besluit vergoeding bewindvoerders schuldsanering gehanteerd. Dat staat in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

De formule wordt berekend aan de hand van cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (het CBS) jaarlijks bekend maakt. Voor het indexeringspercentage wordt teruggekeken naar het 2e jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indexering zal gaan gelden. Het indexeringspercentage voor 2023 wordt daarom bepaald aan de hand van de cijfers over 2021. In de indexering voor 2023 wordt dus geen rekening gehouden met de inflatie van de afgelopen maanden.

Lees meer
07-11-2022

Onderlinge gegevensdeling bij hoger risico op witwassen of terrorismefinanciering

Notarissen en andere Wwft-instellingen worden verplicht onderling gegevens te delen als sprake is van een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme.

Dit staat in het wetsvoorstel ‘plan van aanpak witwassen’ dat de minister van Financiën mede namens de minister van Justitie en Veiligheid heeft ingediend bij de Tweede Kamer.

Het wetsvoorstel wijzigt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). De ministers verwachten met dit wetsvoorstel de aanpak van witwassen en terrorismefinanciering op diverse punten te verbeteren. Onder meer door shopgedrag van kwaadwillende cliënten tegen te gaan. Door diverse partijen, waaronder het notariaat, is gewezen op het probleem dat cliënten die bij een Wwft-instelling geweigerd zijn of waaraan de dienstverlening is gestaakt vanwege risico’s op witwassen of financieren van terrorisme, vervolgens opnieuw dienstverlening kunnen aanvragen bij een andere Wwft-instelling.

Verplichting

De ministers vinden het noodzakelijk dat Wwft-instellingen informatie uitwisselen bij een cliënt met indicaties van een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme. Dit om de kans te verkleinen dat een kwaadwillende cliënt door middel van shopgedrag uiteindelijk toch toegang krijgt tot het financiële stelsel. Gekozen is voor een verplichting en niet voor een bevoegdheid tot gegevensdeling. Een verplichting is een geëigend middel voor het tegengaan van shopgedrag en bovendien noodzakelijk voor de grondslag voor het delen van gegevens.

Onderzoeken, navragen en informeren

Een Wwft-instelling moet in 3 gevallen onderzoeken of de cliënt een andere Wwft-instelling uit dezelfde categorie om dienstverlening heeft verzocht, bij deze Wwft-instelling dienstverlening heeft afgenomen of op dit moment afneemt.

Deze verplichting geldt:

  • als een zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich meebrengt;
  • als er sprake is van factoren die duiden op een hoger risico genoemd in bijlage III van de vierde anti-witwasrichtlijn;
  • in het kader van verscherpt cliëntenonderzoek.

Als sprake is van een hoger risico, moet de Wwft-instelling navraag doen bij de andere Wwft-instelling naar gebleken risico’s op witwassen of financieren van terrorisme. Als de andere Wwft-instelling dergelijke risico’s heeft geconstateerd, moet deze de vragende Wwft-instelling hierover meteen informeren. Het gaat hier alleen om 1-op-1 uitwisseling tussen Wwft-instellingen behorend tot dezelfde categorie, zoals tussen notarissen. Voor de naleving van deze verplichtingen hoeven notarissen zich niet te houden aan hun geheimhoudingsplicht.

Overige maatregelen

Het wetsvoorstel bevat verder een verbod voor beroeps- of bedrijfsmatige handelaren in goederen om betaling van goederen in contanten voor een bedrag van € 3.000 of meer te verrichten of te accepteren. De derde maatregel in het wetsvoorstel is de mogelijkheid voor banken om de transacties van hun cliënten gezamenlijk te monitoren. Criminelen stallen sommen geld vaak bij verschillende banken om zo onder de radar te blijven. Met gezamenlijke transactiemonitoring kunnen banken beter ongebruikelijke transactiepatronen in beeld krijgen. Tot slot bevat het wetsvoorstel een verduidelijking van het gebruik van bijzondere categorieën persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in het kader van verplichtingen op grond van de Wwft.

Lees meer
07-11-2022

Statutenwijziging in het Engels toegestaan bij digitaal opgerichte bv

Het wetsvoorstel voor de digitale oprichting van een bv maakt het mogelijk om de statuten van een digitaal opgerichte bv te wijzigen met een Engelstalige akte.

In het oorspronkelijke voorstel was hierin niet voorzien. Het gaat om bv’s die zijn opgericht met een elektronische notariële akte in het Engels en waarbij ook de statuten in die taal zijn opgesteld. Ook mag de taal van de statuten na de oprichting niet zijn gewijzigd. Is dat wel het geval, dan mag de notaris volgens het wetsvoorstel de statutenwijziging niet in het Engels door laten gaan.

Digitale hypotheek- en leveringsakte

Het digitaal oprichten van een bv is volgens Franc Weerwind, de minister voor Rechtsbescherming, de eerste stap richting een verdere uitrol van de digitale akte binnen het notariaat. Dat schrijft hij in zijn antwoord op de Kamervragen. De KNB is in samenspraak met zijn ministerie in augustus 2021 begonnen met het Programma Digitaal Passeren. Het volgende gezamenlijke speerpunt is de implementatie van de digitale hypotheek- en leveringsakte in 2023. Andere rechtsgebieden en typen notariële akten worden in overleg bepaald voor de jaren 2024 en 2025.

Digitaal passeren op kantoor

Naast het digitaal passeren op afstand maakt het wetsvoorstel het ook mogelijk om straks digitaal te passeren op kantoor bij de notaris. Hierbij is fysieke verschijning nog steeds de norm, maar wordt met de voordelen van digitale mogelijkheden de akte gepasseerd. Hiermee is het bijvoorbeeld in de toekomst mogelijk om afschriften van akten digitaal direct en met de juiste waarborgen beschikbaar te stellen aan de klant. Ook hoeft een akte dan niet meer fysiek in een kluis opgeslagen te worden maar gebeurt dat digitaal.

Direct vanuit notariële bron

Het notariaat is intussen ook in gesprek met diverse ketenpartners over hoe met deze digitaliseringsstap betrouwbare gegevens direct vanuit de notariële bron beschikbaar en verifieerbaar gesteld kunnen worden. Uiteraard volgt de beroepsgroep de ontwikkelingen op het gebied van informatiebeveiliging, (online) fraude, duurzaam bewaren en verstrekken van gegevens, en Europese ontwikkelingen rondom de regie op gegevens.

Lees meer

Hebt u een vraag? Bel ons vrijblijvend: 076 - 565 28 50

Volg ons