Het notariskantoor in Breda voor particulier en ondernemer

We leven in een onvoorspelbare tijd. Juist dan is het belangrijk om uw zaken goed te regelen. Voor uzelf, uw geliefden, uw huis, uw vermogen of uw onderneming. Linders notarissen staat voor u klaar, met een luisterend oor en kennis en kunde van alle notariële vakgebieden. Zorg voor zekerheid, ook in onzekere tijden.

Waar kunnen we u mee helpen?

Relatie & familie

Huwelijk; geregistreerd partnerschap; samenlevingscontract; testament; levens-testament > Lees meer

Huis & hypotheek

Huis kopen; hypotheek en geldleningsovereenkomst; nieuwbouw; appartementsrecht; veiling > Lees meer

Estate planning & erfenis

Estate planning en testament; huwelijkse voorwaarden; schenking; afwikkeling nalatenschap > Lees meer

Onderneming & rechtspersonen

Oprichten; wijziging statuten; bedrijfsovername, -opvolging en inbreng; aandelenoverdracht > Lees meer

Zakelijk vastgoed

Bedrijfspand kopen; fiscale begeleiding bedrijfsonroerendgoed > Lees meer

Nieuws

28-11-2022

Procedure in de statuten soms door de rechter niet gevolgd

In een recent gewezen uitspraak heeft re rechtbank zich gebogen over een in de statuten van een stichting opgenomen bepaling. In de statuten van de stichting stond dat het bestuur jaarlijks rekening en verantwoording moet afleggen aan de rechtbank over het gevoerde beheer van de goederen van de stichting. De rechtbank heeft het verzoek van de stichting om de jaarrekening goed te keuren afgewezen.

De stichting betoogt dat de bepaling is opgenomen om een bepaalde mate van toezicht op het bestuur te verzekeren. De rechtbank begrijpt dat dit een verzoek is op basis van een welwillendheidsbeslissing.

Een welwillendheidsbeslissing is niet gebaseerd op een wettelijke grond. Daarom kan een welwillendheidsbeslissing alleen maar worden toegewezen als alle gerechtvaardigde belangen die bij het geval betrokken zijn gediend zijn met de toewijzing en zich niet tegen toewijzing verzetten.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt niet aan deze voorwaarden voldaan.

Ook op andere wijze kan in toezicht worden voorzien. In de statuten kan een bepaling worden opgenomen dat er een raad van toezicht is, maar ook kan in de statuten worden opgenomen dat de jaarrekening ter controle aan een accountant wordt voorgelegd. Dat de welwillendheidsbeslissing in eerdere jaren wel is gegeven doet daar niets aan af.

Een heel begrijpelijke uitspraak. Hebben de statuten van uw stichting een vergelijkbare bepaling? Pas dan tijdig aan.

Lees meer
28-11-2022

Uitleg huwelijkse voorwaarden soms afwijkend van tekst in akte

Iedereen die voor 1 januari 2018 trouwde zonder tevoren huwelijkse voorwaarden te hebben gemaakt, trouwde in algehele gemeenschap van goederen. Ook vóór het huwelijk opgebouwd vermogen kwam dan in die algehele gemeenschap terecht. Dat was altijd zo, tenzij dat vermogen was geschonken of uit een erfenis kwam en bij de verkrijging was bepaald dat het geschonken of geërfde vermogen privé vermogen van de betreffende echtgenoot of echtgenote moest blijven

Bij huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018 valt alleen het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen in de gemeenschap.

In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland zijn huwelijkse voorwaarden gewijzigd van een echtpaar dat in 1996 was getrouwd op huwelijkse voorwaarden. In die huwelijkse voorwaarden was geen verrekenbeding opgenomen. In 2021 werden de huwelijkse voorwaarden gewijzigd door het opnemen van een beding waardoor bij echtscheiding zou moeten worden afgerekend alsof partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen “zoals deze bestond vóór 1 januari 2018”.

Niet de bedoeling

De rechtbank Gelderland oordeelde dat, in afwijking van de tekst van de huwelijkse voorwaarden, het voorhuwelijkse vermogen niet in de verrekening moest worden betrokken. De man had namelijk bij de rechter verklaard dat het nooit zijn bedoeling was geweest dat de vrouw ook aanspraak zou kunnen maken op het vermogen dat hij al had bij het sluiten van het huwelijk. Deze stelling werd ook niet door de vrouw tegengesproken. De vrouw had tijdens de zitting juist verklaard dat het haar bedoeling was dat zij alleen zou meedelen in hetgeen tijdens het huwelijk was opgebouwd.

Partijen hebben beide geen verklaring kunnen geven waarom in de aanvullende huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat moest worden afgerekend alsof sprake is van een gemeenschap van goederen zoals die vóór 1 januari 2018 gold. Ook is tijdens de zitting gebleken dat de man en de vrouw niet hebben gerealiseerd wat die laatste toevoeging betekende. Daaruit heeft de Rechtbank de conclusie getrokken dat de notaris daar ook onvoldoende specifieke aandacht aan heeft geschonken.

Een mogelijke verklaring voor de toevoeging “zoals deze bestond vóór 1 januari 2018” is dat de notaris meende dat alsnog gedaan zou moeten worden wat partijen (of in elk geval de vrouw) voor ogen stond bij aanvang van hun huwelijk. Er was echter niet gebleken van feiten die erop wezen dat de man destijds met een dergelijk ruim beding zou hebben ingestemd, en om tegemoet te komen aan de wensen van de vrouw was deze toevoeging evenmin nodig.

Redelijkheid en billijkheid

De Rechtbank achtte het aannemelijk dat de toevoeging “zoals deze bestond vóór 1 januari 2018” in ieder geval niet de bedoeling was van de man, en mogelijk zelfs niet de bedoeling van beide partijen, weergaf. De vrouw had immers niets in de procedure ingebracht op grond waarvan zij mocht verwachten dat de man instemde met verrekening van voorhuwelijks vermogen.

De Rechtbank vond dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook onaanvaardbaar was om de aanvullende huwelijkse voorwaarden zo uit te leggen dat ook het voorhuwelijkse vermogen van partijen in de verrekening moest worden betrokken. De Rechtbank zei wel dat daarvan slechts in uitzonderlijke omstandigheden sprake kon zijn. De omstandigheden die de Rechtbank in dit geval meewoog waren: het korte tijdsbestek waarin de aanvulling van de huwelijkse voorwaarden tot stand was gekomen, de discussie die tussen partijen bestond voorafgaand aan de ondertekening ervan, het feit dat de wensen van de vrouw leidend waren geweest bij deze aanvulling, terwijl voor hetgeen zij beoogde de uitbreiding van de verrekenplicht met voorhuwelijks vermogen niet nodig was, het feit dat beide partijen er blijk van hadden gegeven niet te beseffen wat de uitwerking was van de toevoeging van de tekst “zoals deze bestond vóór 1 januari 2018”, de discrepantie tussen de wil van de man en de tekst van de huwelijkse voorwaarden, gelet op de stelling van de man dat hij nooit de bedoeling heeft gehad (noch in 1996, noch in 2021) dat ook voorhuwelijks vermogen verrekend zou worden en het feit dat de man dyslectisch was, waardoor het voor hem nog eens extra lastig was om te lezen waarvoor hij tekende.

Wil u meer weten over huwelijkse voorwaarden of het wijzigen daarvan? Wij helpen u graag.

Lees meer
21-11-2022

Let op de formaliteiten bij eigen woning lening

Recent diende voor de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een zaak waarin de fiscus stelde dat de rente over een binnen de familie gesloten leningen voor verbouwing eigen woning niet fiscaal aftrekbaar was. Een eigenwoningschuld is alleen fiscaal aftrekbaar als wordt voldaan aan de door de wet gestelde eisen daaraan.

Een stel heeft sinds 2007 een lening bij de vader van een van hen afgesloten voor het betalen van een verbouwing. In de aangifte inkomstenbelasting over het 2017 gaven ze de lening aan als eigenwoningschuld en trokken de rente hierover af van hun inkomen. De inspecteur wees de aftrekpost af met als reden dat de lening geen eigenwoningschuld zou zijn waardoor de rente ook niet aftrekbaar is. Het stel accepteerde dit niet en legde de zaak voor aan de rechter.

Niet aannemelijk

De rechtbank onderzocht vervolgens of de lening kwalificeert als eigenwoning schuld in de zin van art. 3.119a Wet IB 2001. De door de vrouw aangeleverde stukken waaronder de leningovereenkomst en een kwitantie van een aannemer konden de rechter niet overtuigen. Er is wel sprake van een lening maar het is niet duidelijk of de geleende bedragen daadwerkelijk zijn gebruikt voor de aankoop, verbetering of onderhoud/verbouwing van de eigen woning. De kwitantie van de aannemer vormde geen bewijs omdat deze per oktober 2006 gedateerd was, dus ruim voor de datum van het aangaan van de lening. Daarnaast kwamen de bedragen uit de kwitantie en de overeenkomst van geldlening niet overeen. Omdat er door het stel niet aannemelijk gemaakt kon worden dat de lening een eigenwoningschuld is, is de rente ook niet aftrekbaar. De belastinginspecteur werd dus in het gelijk gesteld.

De les die we hieruit kunnen trekken is dat de eisen die de wet sinds 2013 stelt aan een eigenwoningschuld duidelijk zijn. Rente is alleen aftrekbaar als het gaat om:

  • schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning,
  • ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen, en - waarbij ook daadwerkelijk aan de aflossingseis wordt voldaan.
  • Is de lening gesloten in de familiesfeer of met een (eigen) bv, dan moet de leningnemer bovendien aan de informatieverplichting voldoen door de kernelementen van de lening in de aangifte inkomstenbelasting te vermelden.

De eisen in verband met de looptijd en aflossing en de informatieverplichting gelden in het hiervoor genoemde geval overigens niet omdat de lening in 2007 afgesloten is en het overgangsrecht mag worden toegepast. Als een lening van een bank van vóór 2013 wordt overgesloten blijft het overgangsrecht van toepassing. Dit geldt ook als de nieuwe geldverstrekker een familielid of een (eigen) B.V. is. De informatieverplichting geldt ook dan niet voor die overgesloten lening.

Oogmerkvereiste

Als een belastingplichtige de aankoop of verbouwing van een eigen woning achteraf financiert, moet aan het oogmerkvereiste zijn voldaan. Dit kan in geval van een lening bij een professionele geldverstrekker eenvoudig worden aangetoond. Bijvoorbeeld door het overleggen van een hypotheekofferte die is aangevraagd rond het tijdstip van de betaling van de kosten.

In andere gevallen is het lastiger om aan te tonen dat aan het oogmerkvereiste is voldaan. Als de lening is aangegaan binnen zes maanden na de start van de verbouwing wordt voor het bedrag van de in die zesmaandsperiode betaalde kosten geacht te zijn voldaan aan het oogmerkvereiste.

Kortom, laat u goed informeren als u een lening bij familie of bij de eigen bv wil sluiten. Als u de lening en bij voorkeur gedekt door een hypotheekrecht laat vastleggen bij de notaris weet u zeker dat er geen fiscale kleerscheuren worden opgelopen.

Lees meer
21-11-2022

Rechthebbende op uitkering van een levensverzekering bij overlijden

Bij de uitkering van levensverzekeringen geldt de leer van het zelfstandig recht op uitkering. Wat houdt dat in? De verzekeringnemer wijst bijvoorbeeld zijn echtgenoot, kinderen of erfgenamen als begunstigde aan. De begunstigde krijgt een eigen recht op de uitkering uit de levensverzekering. De uitkering komt uit het vermogen van de verzekeraar en niet uit het vermogen van de verzekeringnemer. Dat betekent dat de verzekeraar moet uitkeren aan de begunstigde. Dit betekent ook dat als de begunstigde de erfenis van de verzekeringnemer verwerpt, hij (nog steeds) recht heeft op de uitkering uit de levensverzekering.

Dit is van belang als de “erfgenamen van de verzekeringnemer” als begunstigden zijn aangewezen. De begunstigde krijgt dan de uitkering omdat hij erfgenaam is. Het maakt niet uit of hij aanspraak op de nalatenschap maakt of die verwerpt.

Wanneer iemand is overleden en een overlijdensrisicoverzekering had, dan keert de verzekeraar een bedrag uit aan de begunstigde. De begunstigde is degene die op de polis wordt genoemd en is aangewezen door de overledene. Deze persoon krijgt de waarde van de verzekering op zijn of haar rekening gestort als de verzekeringnemer komt te overlijden. Bij een standaard begunstiging wordt het geldbedrag uitgekeerd in een vaste volgorde:

  • ben je bent getrouwd of woont je geregistreerd samen? Dan wordt het geld uitgekeerd aan de partner;
  • als er geen partner aanwezig is, wordt er kapitaal overgemaakt aan de kinderen;
  • zijn er geen kinderen, dan kijkt een verzekeraar of er wettelijke erfgenamen zijn.

Maar de verzekeringnemer kan ook zelf een begunstigde aanwijzen op de polis.

Twee trappen

Onlangs is er een uitspraak gedaan door de Geschillencommissie van het klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) over de vraag wie nu recht had op de verzekeringsuitkering.

Een man had in zijn testament een zogenaamde tweetrapsmaking opgenomen. De tweetrapsmaking hield kort gezegd in de bepaling dat enkel de partner tot erfgenaam werd benoemd (eerste trap) en de twee kinderen pas zouden erven van hun vader op het moment dat zowel de vader als de echtgenote waren overleden (tweede trap), of anders gezegd:

De man had in zijn testament zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd onder de ontbindende voorwaarde dat ingeval van haar overlijden de kinderen onder opschortende voorwaarden zijn erfgenamen werden. In het testament waren overigens meer situaties dan alleen het overlijden van de man genoemd waaronder de ontbindende en opschortende voorwaarden van toepassing konden zijn.

Naar aanleiding hiervan is een geschil ontstaan tussen de echtgenote en de verzekeraar waarbij de man de levensverzekering had gesloten. In de polis waren de erfgenamen van de man als begunstigden aangewezen. De echtgenote had de verzekeraar gevraagd om de verzekeringsuitkering aan haar over te maken. De verzekeraar vroeg haar vervolgens om een verklaring van erfrecht en weigerde toen de uitkering aan haar over te maken omdat de echtgenote volgens de verzekeraar slechts voor een derde deel begunstigde zou zijn.

De Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het Kifid heeft echter de echtgenote in het gelijk gesteld. Op het polisblad waren de erfgenamen van de verzekeringnemer de begunstigden van de uitkering uit de levensverzekering. De geschillencommissie volgt de verzekeraar in de stelling dat op de levensverzekering de leer van het zelfstandig recht van toepassing is en de uitkering uit de levensverzekering niet tot de nalatenschap behoort, maar de verzekeraar dient bij de uitkering aan de erfgenamen wel uit te gaan van de in het testament opgenomen verdeling.

Uitsluitend rechthebbende

Op grond van de tweetrapsmaking werd de echtgenote als uitsluitend rechthebbende aangemerkt, voor zover het door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen betrof. De erflater had in zijn testament immers zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd onder de ontbindende voorwaarde dat één van de in het testament genoemde situaties zich voordoet en daarom moest de echtgenote dan ook als rechthebbende onder ontbindende voorwaarde worden beschouwd van de vordering die op de verzekeraar was ontstaan.

De verzekeraar diende daarom het gehele verzekerde kapitaal aan de echtgenote uit te keren omdat niet gebleken is dat één van de in het testament genoemde situaties voor het intreden van de ontbindende voorwaarde zich heeft voorgedaan.

Heeft u vragen over testament en begunstiging op de levensverzekering? Wij helpen u graag.

Lees meer

Hebt u een vraag? Bel ons vrijblijvend: 076 - 565 28 50

Volg ons